Loading...
Het Knolorgel2019-03-26T09:51:17+00:00

GESCHIEDENIS

De St. Stephanuskerk te Hasselt kent een rijke historie. De eertijds aan St. Stephanus gewijde kerk kreeg haar vorm als hallenkerk na verbouwingen en vergrotingen omstreeks 1460. De oudste bouwdelen dateren uit circa 1100.

De orgelgeschiedenis van de kerk is traceerbaar vanaf circa 1465; in een document uit 1481 is sprake van garantie op een orgel dat mr. Jacob van Bilsteyn gebouwd had. De oorspronkelijke toegang tot de orgelgalerij van dit orgel is in de torentrap nog zichtbaar; deze werd met de bouw van de toren omstreeks 1465 aangebracht. De stenen wenteltrapnaast de ingangaan de marktzijde bezit op halve hoogte nu ook nog een toegangsdeur. Deze leidde naar een het kleine orgel dat in 1515 was gebouwd door vermoedelijk Johan van Covelen, de bekendste orgelmaker uit die tijd. Dit orgel werd in 1582 bij een beeldenstorm vernield.

In 1545-1549 werd een nieuw groot orgel gebouwd. Dit tweede orgel wordt toegeschreven aan mr. Johan Slegel en zonen te Zwolle. Het was een twaalfvoets werk en bestond uit een Principaalwerk met een Bovenwerk, een Rugpositief en een aangehangen Pedaal. In 1622 voerden Jan Jacobs du Lin, in 1626  Gerhard Kevelham en in 1676 Pieter Backer herstellingen en wijzigingen uit. Een in 1725 door blikseminslag veroorzaakte brand betekende het einde van de stadsmuziekinstrumenten: de toren brandde geheel uit, carillon, luidklokken en orgel gingen hierbij verloren. Het kerkinterieur bleef dankzij de stenen gewelven gespaard. De kerk kon kort na de brand worden hersteld; het duurde echter tot 1738 voordat de herbouw van de toren was voltooid. De toren kreeg weer, zoals haar voorganger, een spits met een open lantaarn. Twee nieuwe luidklokken werden toegevoegd aan de twee kleine klokken van het carillon die de brand hadden overleefd en na 1725 als luidklokjes waren ingezet; een nieuw  carillon en een orgel bleven echter achterwege. Het duurde tot 1802, voordat de stedelijke economie na een magere achttiende eeuw weer wat meer soelaas bood om aan een nieuw kerkorgel te gaan denken.

In 1802 was de scheiding van kerk en staat nog niet een feit. Het was dan ook de stedelijke regering die het initiatief nam voor de bouw van een orgel: “ tot cieraat van de kerk, opwekking tot de godsdienstoefening en tot luister van de stad zelve”. Zo werd het orgel een der laatst gebouwde stadsorgels in de Nederlanden: onder het Rugpositief prijkt het stadswapen. De namen van de leden van de stadsregering en enkele burgers die aan de bouw hebben bijgedragen zijn op de balustrade vermeld: “tot een eeuwig durende gedachtenis….”. Een opvallende naam is die van Willem Buisman die in die tijd veel geld had verdiend met de smokkel van koffie. Het orgel werd voltooid in 1806 maar werd in gebruik genomen in maart 1807 omdat toen de beelden pas werden geleverd.

Informatie voor een nieuw orgel werd ingewonnen bij o.a. de orgelmaker Albertus van Gruisen, op dat moment werkzaam in de Michaëlskerk in Zwolle. Er waren vanouds ook (handels)contacten in Amsterdam zodat hier aan Johannes Strumpfler en aan Jan Jacob Vool een offerte werd gevraagd. Rudolf Knol maakte echter het meest overtuigende plan en verwierf de opdracht voor het maken van een orgel met aanvankelijk 25, later 26 stemmen voor fl. 5.000,–. Stadstimmerman (=stadsarchitect) Jan J. Bode kreeg de opdracht voor het maken van de orgelkassen. Lorenzo Grisantie in Amsterdam maakte de beelden  met allegorische voorstellingen. Schilder Klaas Admiraal uit Hasselt verzorgde het schilderwerk.

ORGELMAKER RUDOLF KNOL

Rudolf Knol is geboren in 1759 in Norden in Ost-Friesland en leerde het vak bij orgelmaker Dirk Lohman. Het overlijden van de bekende orgelmaker Albertus Anthonie Hinsz in Groningen in 1785 zag hij als een mogelijkheid om de ontstane leemte in Noord-Nederland op te vullen.

Hij vestigde zich toen als zelfstandig orgelmaker in Friesland en bouwde nieuwe orgels in Wieuwerd en Bozum, resp. voltooid in 1788 en 1791. Enkele details van Bozum (o.a. lange frontpijpvoeten, discantregisters, uitsluitend ronde fronttorens) treffen we later ook in Hasselt aan. Rudolf vertrekt na een affaire in Bozum in zuidelijke richting en bouwt in 1796 in Zwartsluis een orgel met gebruikmaking van enig ouder materiaal.

In 1800 wordt een nieuw orgel geleverd in Oosterwolde bij Kampen. Gelet op de orgelfronten van Wieuwerd en Oosterwolde die hij zelf ontwierp, heeft hij mogelijk ook een tijd bij Johann Friedrich Wenthin in Emden gewerkt. Een offerte voor modernisering van het oude orgel in de Nicolaaskerk in Elburg vindt geen doorgang. De offerte voor Hasselt echter wel. Rudolf Knol vestigt zich in Hasselt en trouwt er met Janna Jans Keppel. Hij overlijd op 14 juni 1818 in zijn huis aan de Baangracht.

HET OPUS MAGNUM VAN KNOL

Het Knolorgel in de St. Stephanuskerk te Hasselt wordt ook wel het opus magnum van Rudolf Knol genoemd.

Stadstimmerman Jan J. Bode ontwierp de orgelkassen in de Empirestijl van die tijd. We stellen vast dat hij zijn vak uitstekend beheerste; het front imponeert met haar goede verhoudingen en detailleringen. Om de hoge westwand van de kerk te vullen en de orgelkassen de goede verhoudingen van de grote kerkruimte te geven kregen de frontpijpen van hoofdwerk en rugwerk overlengte. Bovendien werden de wand en het gewelf naast en boven het orgel voorzien van een omkaderende geschilderde draperie. Een gebruik dat in die tijd veelvuldig werd toegepast.

Het orgel is in dispositie, klank en architectuur een uiting van de tijd van ontstaan. Dit blijkt o.a. uit de samenstelling van de vulstemmen: De Cimbel 3-4-st van het Rugpositief bijv. is niet met hoog liggende koren samengesteld maar is eigenlijk een tertsmixtuur. Een zelfstandig  pedaal werd in die tijd als luxe gezien en bleef, ook bij grotere orgels, vaak achterwege.

De windlade van het rugpositief werd daarentegen van vijf extra sleepconstructies voorzien zodat met 1 registertrekker (of een trede, de mechaniek werd later weggenomen) vijf stemmen tegelijk konden worden in- en uitgeschakeld. Hiermee werd het mogelijk om het effect van een drieklaviers orgel te laten horen. Het ontbreken van een zelfstandig pedaal was geen belemmering om toch nog groot te denken! De blokkade van Engeland bracht Rudolf Knol in die tijd nog even in de problemen: een tijd lang werd er geen tin geleverd voor de vervaardiging van pijpen. Volgens het contract zou de stemming evenredig zwevend zijn; een voor die tijd moderne visie! Het in 1806 opgeleverde orgel werd gekeurd door de organist Cornelis Berghuis te Kampen. Hij was vol lof over het geleverde werk van de orgelmaker en van de stadstimmerman!

DISPOSITIE

Het Knolorgel in de St. Stephanuskerk te Hasselt heeft 30 stemmen, verdeeld over een manuaalwerk, rugpositief en pedaal.

MANUAAL

Prestant 8vt
Prestant 16vt disc
Bourdon 16vt
Viola di Gamba 8vt
Holpijp 8vt
Octaaf 4vt
Gemshoorn 4vt
Quint 3vt
Octaaf 2vt
Cornet 4-5st disc
Sexquialter 2-3st
Mixtuur 4-5st
Bazuin 16vt
Trompet 8vt
Vox humana 8vt

RUGPOSITIEF

Prestant 8vt disc
Prestant 4vt
Roerfluit 8vt
Quintadena 8vt
Fluit doux 4vt
Nasat 3vt
Woudfluit 2vt
Ruispijp 2-3st
Cimbel 3-4st
Schalmei 8vt
Dulciaan 8vt

PEDAAL

Subbas 16vt
Octaaf 8vt
Roerquint 6vt
Bazuin 16vt

Samenstelling van de vulstemmen

Cornet b0

c2

8 – 4 – 2 2/3 – 2

8 – 4 – 3 1/5 – 2 2/3 – 2

Sexquialter C

cis1

1 1/3 – 4/5

2 2/3 – 2 – 1 3/5

Mixtuur C

c1

c3

2 – 1 1/3 – 1 – 2/3

4 – 2 2/3 – 2 – 2 – 1 1/3

4 – 2 2/3 – 2 2/3 – 2 – 2

Ruispijp C

c1

2 – 1 1/3

2 2/3 – 2 – 1 1/3

Cimbel C

c1

1 1/3 – 1 – 4/5

2 2/3 – 2 – 1 3/5 – 1 1/3

Nevenregisters

Tremulant Royal
Tremulant Rugpositief
Manuaalkoppel
Koppel Ped – Man

Technische gegevens

Winddruk circa 74 mm Ws
Toonshoogte circa 440 Hz
Stemming evenredig zwevend